Paul van Gysegem Uit: ‘In gedachten verzonken’

Mijn atelier in Gijzegem, zondag 16mei.

Naast mij op het tafeltje ligt een brief van Guy Timmerman die hij me schreef op 19maart. Ik citeer uit deze brief ’… het lijkt zo dat alle mogelijke kunstuitingen broederlijk naast elkaar kunnen bestaan… maar niets is minder waar; de onderlinge drijfveren blijven steeds dezelfde, en er is maar één maat waarmee echt wordt gemeten: de economische’. ‘Integriteit en fantasie worden vervangen door begrippen als management en trendgevoeligheden…’ ‘Alle richtingsaanwijzers zijn weg, de mens wordt gedicteerd door verkoopcijfers en wordt daar ook op gemeten…’ ‘Een teveel aan stress, teveel aan informatie, een hopeloos achterna hollen van…’

Er zijn ongetwijfeld al meerdere kunstenaars die zeer beslist gaan dwarsliggen en hun afkeer hebben van de welsprekendheid en het lawaai der rederijkers. Het doet me denken aan wat ik kort geleden zag in één van de randsteden van Parijs. Een installatie van Ben Vautier: een reusachtig pseudo reclamepaneel hangt bewust een beetje schots, een beetje scheef en een beetje opvallend uitdagend tegen de ‘blinde’ muur van een zo te zien banale woonwijk. Heel zorgvuldig zijn de met de hand geschreven woorden en ik lees: ‘Ik fout se méfier des mots, Ben’. Schijnbare contradictie, paradox, verrassing, herkenning en verwondering.

Alhoewel Guy Timmerman geen overdaad zal gebruiken aan woorden, zijn betekenissen, symbolen en dubbele bodems een belangrijk gegeven in zijn plastisch werk. Is het beeld dat wij van de wereld gevormd hebben, echt? Is alles wat wij met onze ogen waarnemen waarachtig zo, gelijk het schijnt? Is het woord betrouwbaar? En hoe zit het met onze fantasie, onze verlichte of onze donkere zwartgallige ideeën. Zijn de gedachten vrij?

Schakels tussen verleden en toekomst zijn van bijzonder grote betekenis en erg waardevol om meer te weten te komen over onszelf, en soms kan de droom al eens de functie hebben van een deur die op een kier staat. Op voorwaarde dat de poëtische en toegegeven, raadselachtige taal, die de hedendaagse kunstenaar gebruikt ‘waarachtig’ is, en een beeld-taal kan genoemd worden die ons op één of andere manier raakt. Dan staan we dicht bij Altamira, Tassili, het Neolithicum en onze klassieke oudheid. Zelfs ook de oorspronkelijke niet-Europese culturen kunnen ons op een fundamentele wijze een erg verrijkende kijk geven op ons zelf. Telkens gaat het nochtans om een ‘andere’ of een ‘vernieuwende’ taal, en altijd weer over een waarachtige beeldende kracht waardoor we gegrepen worden. De kracht en de geladenheid blijven herkenbaar. De verwondering blijft vergelijkbaar, de emotie en het wonder is steeds hetzelfde: de cirkel sluit zich. De mens blijft.

Guy hanteert als beeldhouwer, schilder en tekenaar een poëtische taal waarin hij eveneens weinig ‘woorden’ gebruikt. Het blijft wel een geheimtaal. Het verklaren van het hoe en waarom van ‘kunst’ is misschien een foute cultureel bepaalde gewoonte, een gewenning: een stereotiep intellectueel gedragspatroon, terwijl het eigenlijk gaat over de ‘verwondering’, het geraakt worden door een ondefinieerbare vorm van emotie. Wat veelzeggend is, is niet altijd een woordenstroom, maar misschien is het eerder die enkele waterdruppel, die in het stille watervlak een steeds groter wordende cirkel doet ontstaan.

Onze maatschappij met zijn megagroei van de techno wetenschap beleeft tegelijk een paradoxaal schijnbare inéénstorting van de grote waarheden. Oorlog is er nog steeds, en steeds leugenachtiger, steeds mensonwaardiger en brutaler. Misleiding en desinformatie, en waarin worden elke dag opnieuw op ons losgelaten. De groeiende kloof tussen arm en rijk is een feit, er komst geen schijn van een veranderende mentaliteit. Algemene verwarring, politieke ontreddering, soms cultuurverlies en onduidelijkheid wat betreft artistieke avant-gardes zijn er misschien voor ons de duidelijkste symptomen van. Dat allemaal samen brengt ons, en in het bijzonder de waakzame kunstenaar, in een tijdskader dat we voor het ogenblik gemakshalve ‘post modern’ noemen. Dit is een enigszins vermoeiende term. Bijna klinkt dit woord als het moe gestreden en leegbloedende continent dat aan zijn zwanenzang de laatste artistieke inspanningen mag wijden.

Guy Timmerman staat in deze complexe wereld en zoeker zijn weg in. Daarenboven zijn zoals hij het zelf schreef, de richtingaanwijzers verdwenen, en alom behoren citeerwoede en eclectisme tot de ‘bon ton’. Wie het hardst kraait en kakelt, wint. Zoals ik hem ken, weet ik dat voor hem in deze schijnbare verwarring (is die schijnbaar,) ontzettend belangrijk is dat hij zichzelf blijft. Ik weet dat hij zich op zijn eigen behoedzame manier een weg zoekt in dit vreemdsoortige landschap. Bedachtzaam, voorzichtig en kwetsbaar hanteert hij het beeld en het symbool – zoals het woord – eerder op een spaarzame manier.

Toch komt mij voor dat deze kunstenaar vooral via zijn recente sculpturen raakt aan wat ik het mysterie noem. Ze hebben een geladenheid, een spanning, een meerwaarde die boven de anekdote uitstijgt. Deze op het eerste gezicht eenvoudige beelden heeft hij aangeraakt met de toverstaf. Misschien wil ik ermee zeggen dat ik deze beelden aanvoel, misschien aanvoel dat ze de eerste aanzet zijn naar een sterke en boeiende evolutie. Ze betekenen dat de kunstenaar uit zijn schelp kruipt en zich laat zien: zó is zijn wereld. Zo is voor een deel ook onze wereld. Hij bezit als kunstenaar alleen zijn eerlijkheid, niet het verbale geweld om zijn gelijk te halen, geen bommen of granaten, zelfs geen alarmpistool of scherp mes. Zijn wapen is de bijna onzichtbare kracht van de kunstenaar, die erin slaagt wat hij aanraakt te laten leven. Zo raakt hij ons eigenlijk ook aan.

Zijn bijna unheimliche beelden worden geladen met hoop. Dit onbestemde weemoedige is in zijn schilderijen en tekeningen steeds aanwezig, bereikt in zijn sculpturen plots een grotere rust en kracht. Daarom denk ik dat de titels die hij eraan meegeeft eerder een leidraad kunnen betekenen: ‘aan de oren getrokken’, ‘de eeuwig durende dag’, ‘portret van nachtelijke waanzin’, ‘het weer zien’, ‘paranoia bij valavond’, ‘in nostalgie’, ‘wreed geluk’, ‘geklemd zitten’…

Ik dacht plots aan al die andere kunstenaars, schrijvers en dichters, al of niet, min of meer, levend op de rafelige randen van de zelfkwelling en de euforie, bondgenoten en vrienden. Is het zo, dat zij veelvuldig en dagelijks werden geplaagd met het bezoek van demonen allerhande, dan zie ik ze toch vooral liever als lucide, begenadigde magiërs.

Aan enkele ervan is het gegeven os te ontroeren, soms een geweten te schoppen. Aan anderen is het gegeven onzichtbare dingen zichtbaar te maken uit het niets. Guy Timmerman gebruikt slechts de meest eenvoudige middelen ver weg van gesofisticeerde technische hoogstandjes.

Met de verwondering beleeft hij het alledaagse. Hij lijkt wel geobsedeerd en aandachtig toe te kijken en te registreren. Pas nadien gaat hij vanuit zijn persoonlijke context deze wereld herscheppen in zijn wereld: een soms bijna ongrijpbare nieuwe wereld die zich ergens bevindt tussen werkelijkheid en droom.

Het mysterie blijft nadrukkelijk aanwezig. Hij is bovendien één van de weinige jonge kunstenaars van zijn generatie die consequent de figuratieve weg is ingeslagen; sinds lang is dit zijn bewust keuze. Een deuze die bijna haaks staat op de gangbare mentaliteit en de gangbare trends. Blijkbaar, eigenlijk met grote stelligheid zal dat enige weerstand oproepen, zoniet onbegrip en ongeloof.

Alweer stelt hij zich kwetsbaar op, en hanteert steeds meer een veelvuldigheid van schijnbare tegenstellingen. Doorheen zijn plastisch werk blijft via deze overtuiging de herkenbaarheid steeds zeer belangrijk: een ‘trans’realisme zou ik het misschien kunnen noemen. Dit wordt ‘zijn’ ‘nieuwe’ taal, zijn nieuwe gedaante. Op deze manier bouwt hij geduldig aan een boeiend en raadselachtig universum, zoekend zoals Diogenes, naar de mens, stap voor stap wandelend met de lantaarn in de hand: een lichtpunt in de duisternis.